Ze trouwden als zweefvliegers en bleven ook het zweven trouw.

Wie laat zich nou vrijwillig met een snelheid van honderd kilometer per uur aan een dun kunststof kabeltje zeshonderd meter de lucht in trekken? Het antwoord is: een zweefvlieger. Wie wil uren lang de plas ophouden of laat het wegstromen in een plastic tas of luier? Het antwoord is wederom: een zweefvlieger. Wie is vaak de gezagvoerder van een Boeing? Inderdaad, een zweefvlieger. Wie zijn Jan en Ilse Klijnstra? Dat zullen dan ook wel zweefvliegers zijn. Sterker nog, Jan en Ilse zijn ereleden van de NNZC, de Noord Nederlandse Zweefvlieg Club, die zaterdag 16 juni 2007 haar 75-jarig bestaan viert. Samen is het echtpaar ruim honderd jaar lid.

jan en ilse klijnstra

Wat is de schoonheid van zweefvliegen? Stel die vraag nooit aan een zweefvlieger als je haast hebt, want deze is breedsprakig over zijn passie. Voor Jan en Ilse is het de vrijheid die hen een kick geeft. "Je bent alleen maar met vliegen bezig, bekijkt de wereld letterlijk van een afstand en bent ver verwijderd van de dagelijkse beslommeringen." Was getekend, echtpaar Klijnstra.

Klinkt aanlokkelijk.

"Begin eraan en je komt er nooit meer vanaf.", waarschuwt Ilse. "En als je eraan begint zorg dat je een partner vindt die ook van zweefvliegen houdt, want anders kon het wel eens spaak lopen. Zweefvliegen is een geweldige maar tijdrovende hobby. Jan en ik trouwden als zweefvliegers. Handig, want dan weet je wat je aan elkaar hebt."

Jan en Ilse Klijnstra. Ze kennen elkaar van het vliegveld. Beiden vlogen in de jaren vijftig vanaf Eelde, waar de oorsprong van de club ligt. De club telde in die tijd ruim driehonderd leden, een viervoud van nu. Toch verlangt Jan niet meer naar een dergelijk aantal, want om iedereen aan de beurt te laten zat er niet meer in dan één startje op een dag. "Niets aan", herinnert Jan zich. "Een zweefvlieger wil vliegen." Ilse kent ook nog de voordelen: "Ik vond het altijd wel gezellig. Dan had je nog de tijd om een vrijer te zoeken." Maar toen ze de ware Jakob eenmaal had gevonden, duurde ook voor haar het wachten lang.

Zowel Jan als Ilse genieten van - het praten over - hun passie. Jan, die dankzij het zweefvliegen kon doorstromen naar de luchtmacht waar hij werd opgeleid als piloot, kan zich zijn eerste buitenlanding nog goed herinneren. "Pekela, 1956. Een hoop tumult om niets. De politie kwam opdraven met allerlei formulieren. Ze hadden een dag eerder 'al met een dode te maken gehad', zo lieten ze weten 'en nou dit ook nog'. Ze vreesden het ergste. Doden? Gewonden? Maar er was niets aan de hand."

Voor alle duidelijkheid, een buitenlanding is een bewuste landing op een zorgvuldig uitgekozen plek. De zweefvlieger moet landen omdat er onvoldoende thermiek is. Het is dus geen ongeluk. Hij voorkomt het juist. "Daar zit ook het verschil tussen zweefvliegen en motorvliegen", meldt Jan. "Een motorvlieger gaat van A naar B. Een zweefvlieger wil van A naar B, maar moet nog maar zien of ie er komt. Dat is het avontuur die de sport zo bijzonder boeiend maakt."

Zweefvliegen is niet gevaarlijk, vinden Jan en Ilse. "Een zweefvliegtuig is een slag veiliger dan een ultralight vliegtuig, alleen al omdat de motor niet kan uitvallen." Het klinkt cynisch, maar het is een feit, garandeert Jan. "Zweefvliegen is een gedisciplineerde sport, waar alles draait om samenwerking en zekerheid. Een instructeur die een leerling solo laat, zal honderd procent vertrouwen in hem of haar hebben anders gebeurt het niet." En solo mag je al op je veertiende! Te jong voor een brommer maar niet voor een vliegtuig! Twee jaar later mag de leerling een zweefvliegbrevet halen.

Onverantwoord!? "Welnee", zegt Jan. "In de zweefvliegerij is het controle op controle op controle. Om een voorbeeldje te noemen: iedereen, ook de instructeur, die na een winterstop weer wil vliegen, zal samen met een collega in een tweezitter een checkstart moeten maken. Dat zie ik een motorrijder nog niet doen."

Jan en Ilse zijn 'laat' begonnen met vliegen, zo rond hun twintigste. Maar de kinderen van het stel gingen alledrie op hun veertiende solo. En volgend jaar zal ook hun, nu dertien jaar oude, kleinzoon alleen de lucht in gaan.
Alles in het gezin Klijnstra draait om het zweefvliegen. Kinderen gingen als vanzelfsprekend mee naar het vliegveld en kregen de sport met de paplepel ingegoten. Dat het gezin drie instructeurs, Jan incluis, heeft voorgebracht is dan ook geen wonder. Elk vrij uurtje werd besteed aan de hobby en vakanties werden gehouden op zweefvliegvelden.

"De keren dat wij zonder vliegtuig op vakantie zijn geweest, kun je op een hand tellen", meldt Ilse. "Voor de kinderen was het vanzelfsprekend en ik heb nooit het idee gehad dat ze het niet leuk vonden. Eén van de kinderen heeft van zweefvliegen zijn beroep gemaakt. Hij is bedrijfsleider op Salland en in zijn vrije tijd vrijwillig instructeur in Veendam."

Alle dertien instructeurs van de NNZC (onder hen één vrouw) doen het werk vrijwillig. Ze zijn gewoon lid van de club. Een hecht gezelschap dat elkaar vaak al vanaf hun veertiende kent. Vandaar ook dat leden die in de loop der tijd verhuisden, de NNZC trouw bleven. Zo heeft de club leden woonachtig in Vianen, Amersfoort en Dieren.
Dat Jan jaren werkzaam was als luchtmachtpiloot is geen uitzondering. Veel zweefvliegers worden namelijk beroepsvliegers. De NNZC telt vier (co-)piloten, onder andere bij de KLM en een voormalig gezagvoerder van de KLM. Jan: "Vroeger werd zweefvliegen gesubsidieerd door het rijk. Ikzelf heb ook een betaalde scholierencursus gevolgd, op Terlet. Nadien werd ik gevraagd om beroeps te worden. Vandaag de dag gaat het iets anders, maar dat nog steeds veel zweefvliegers beroepsvliegers worden is niet vreemd. Deze mensen vliegen al vanaf hun veertiende, en die ervaring is mooi meegenomen.”

Vliegen in een Boeing doordat je je als tiener durfde te laten lieren. Een zweefvliegtuig en een Boeing, je zou het niet zeggen maar ze hebben veel overeenkomsten. Veel verschillen ook. Een toilet, om maar eens iets te noemen, is wel in een Boeing maar niet in een zweefvliegtuig aanwezig. En wat doe je dan als je lange overlandvluchten maakt? Intensieve training van de kringspier? Een plastic tas binnen handbereik? Een luier? Ilse was gepamperd tijdens lange vluchten. Toch heeft ze het altijd droog weten te houden. "Ik heb een keer acht uur in de lucht gehangen met een luier om. En weet je, het was zo lekker warm, dat ik niet eens aan plassen dacht." Dat niet iedereen baas is over eigen blaas, blijkt uit de duovlucht van Ilse met een Oostenrijkse kennis. Ze lacht breeduit wanneer ze het verhaal vertelt: "We vlogen in een tweezitter. Mario zat voor, ik achter. Na uren vliegen moest Mario plassen en daarvoor had hij een plastic tas meegenomen. Het maakte mij niet uit, ik kon toch niets zien en het gebeurde allemaal heel discreet. De blaas werd geleegd en de tas gevuld. Probleem opgelost. Althans dat dachten wij. Maar toen Mario na de landing uit het vliegtuig stapte kwam al snel zijn vrouw hem schreeuwend tegemoet: 'Mario, was hast du jetzt gemacht?' Bleek dat de plastic'plas'tas van Mario een groentetas was en in een groentetas zitten allemaal hele kleine gaatjes..."

Jan en Ilse zijn van plan om nog lange tijd te blijven vliegen. Ilse als tweede piloot, want door een mankement aan haar ogen is zij onlangs voor het zweefvliegen afgekeurd. Jan vliegt nog wel, als instructeur en uiteraard samen met Ilse. "Niet lang geleden hebben we samen nog op 2600 meter gezeten. Héérlijk!"

De Koerier, Monique van Dulmen, 2007

Nieuwsbrief

Op de hoogte blijven van het laatste NNZC nieuws? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Cookies op NNZC

Op NNZC.nl gebruiken functionele en analytische cookies en vergelijkbare technologieën (alle aangeduid als cookies) om u een optimale gebruikerservaring te bieden. U gaat akkoord met dit cookiegebruik door hiernaast op “akkoord” te klikken of door verder gebruik te blijven maken van NNZC.nl