Huldiging na de eerste solovluchtWanneer iemand als gloednieuw lid het vliegveld van de Noord Nederlandse Zweefvlieg Club betreedt, wordt hij of zij opgevangen en begeleid door een ervaren lid, die de nieuweling wegwijs maakt op het veld van de NNZC. Ook worden de zaken uitgelegd die de veiligheid betreffen. Het echte vliegen wordt onderricht door de instructeurs. Dit zijn mensen, die er plezier in hebben om anderen het vliegen te leren. Er hoeft niet betaald te worden voor instructie.

Aan het begin van een vliegdag worden lijsten gemaakt waarop staat in welke volgorde de vluchten per type toestel worden toegewezen aan de leden. Het spreekt vanzelf, dat de nieuwelingen op een tweepersoons vliegtuig met instructeur worden ingedeeld. Theoretische kennis is in het begin niet gevraagd. Zonodig legt de instructeur het één en ander uit.

De eerste vlucht wordt besteed aan de luchtdoop of voor degenen die vaker gevlogen hebben aan het wennen aan een zweefvliegtuig. Dan wordt de werking van de roeren uitgelegd en mag de leerling in de lucht proberen het vliegtuig rechtuit te laten vliegen. Gaandeweg wordt er steeds meer geïnstrueerd en doet de nieuwe vlieger steeds meer handelingen zelf om de vlucht uit te voeren. Uiteindelijk stuurt de leerling het vliegtuig zonder hulp van de instructeur.

Dan komt de fase, waarin de instructeur beoordeelt of de vlieger het vliegtuig zonder zijn aanwezigheid kan besturen. Het moment van de eerste solo is aangebroken. De instructeur geeft de laatste aanwijzingen en dan gaat de leerling geheel zelfstandig de lucht in. Na enige vluchten zelfstandig vliegen in het lesvliegtuig wordt de prille vlieger uitgelegd hoe de werking van een éénpersoons vliegtuig is en wat de afwijkende eigenschappen zijn ten opzichte van het lesvliegtuig. De vlieger heeft nu de status van “solist” maar vliegt nog steeds onder supervisie van een instructeur.

Nu breekt de tijd aan, dat er gestudeerd moet worden op de theorie van het zweefvliegen. De vakken zijn: voorschriften, meteorologie, zweefvliegtuigen, instrumenten en luchtvaartkaarten. Deze kennis is nodig om het theorie-examen van het Zweef Vlieg Bewijs (dit heet officieel het Glider Pilot License, het GPL) te behalen.

In de praktijk dienen vijf opeenvolgende vluchten te worden gemaakt, waarbij het vliegtuig in een vooraf bepaald gebied dient te landen (doellandingen). Dan volgen nog enige examenvluchten met een examinator en bij een goede beoordeling krijgt de vlieger het zweefvliegbewijs. Met dit papier mag de zweefvlieger vliegen zonder de supervisie van een instructeur, hij of zij mag “overlandvluchten” maken en gasten meenemen.

In het GPL zijn aantekeningen te behalen die de houder de bevoegdheid geven om zelfstandig te starten met behulp van een lier, opgesleept worden met een sleepvliegtuig, het geven van instructie en het gebruik maken van een radio aan boord van een zweefvliegtuig.

En zo heeft de vlieger de papieren en de ervaring verworven om ten volle te genieten van het zweefvliegen.