Voorbereiding voor de eerste vluchtEen vliegdag begint ’s ochtends om negen uur in het clubgebouw waar de leden zich verzamelen. Om kwart over negen is de briefing. De dienst doende instructeur (DDI) houdt dan een praatje over het weer en bepaalt aan welke kant er wordt opgesteld. De speciale wensen zoals een 5-uurs vlucht of een overlandvlucht worden ook bekend gemaakt en in overleg met de DDI wordt dan wel of niet een vliegtuig toegewezen voor deze vluchten. Als het erg druk is, kan de DDI besluiten dat er bijvoorbeeld maar één van de vier éénzitters ingezet mag worden voor zo’n vlucht, zodat de andere leden ook voldoende kunnen vliegen die dag. Na de briefing worden de vliegtuigen opgesteld en wordt de lier klaargezet. 

Het landingsveld wordt uitgezet en de startcaravan wordt op zijn plaatst gezet. Op de startplaats worden de vliegtuigen aan een dagelijkse inspectie onderworpen, en aan de andere kant van het vliegveld wordt de lier warmgedraaid. Als rond een uur of tien de kabels zijn uitgereden kan de eerste vlucht worden gemaakt!

Voor een vliegdag heb je voldoende mensen nodig, de lierman bedient de lier, de tiploper haakt het vliegtuig aan en houd het vliegtuig recht voor de start, iemand moet het lichtsignaal geven aan de lier dat het vliegtuig klaar is voor de start, en de kabelrijder moet de kabels weer terug rijden naar de startplaats. Je begrijpt dus dat je naast de piloot meerdere mensen nodig hebt om een zweefvliegtuig te laten vliegen. Dit maakt zweefvliegen een echte teamsport, het is op de startplaats dan ook altijd erg gezellig.

Uitzicht op een inversielaag op 500m hoogteAls het aan het eind van de morgen thermisch begint te worden, kunnen de zweefvliegtuigen langer in de lucht blijven, ze winnen dan hoogte in de thermiek. Thermiek kan gezien worden als kolommen met warme opstijgende lucht, het zweefvliegtuig draait hierin rondjes en stijgt zo met de warme lucht mee omhoog. Zo kunnen er vluchten van wel vijf uur of langer worden gemaakt. De thermiek maakt het ook mogelijk om de eerder genoemde overlandvluchten te maken.

Bij een overlandvlucht probeert de piloot met zijn zweefvliegtuig een zo groot mogelijke afstand af te leggen. Hij wint dan steeds hoogte in de thermiek, en kan zo weer een stuk verder vliegen. Het zweefvliegtuig moet in de thermiek hoogte winnen want het toestel heeft immers geen motor. Als het thermisch is, vliegen de vliegtuigen van de club maximaal één uur. Dit omdat er meestal meer vliegers zijn dan dat er vliegtuigen zijn, en iedereen wil natuurlijk een vlucht kunnen maken. De privevliegers, dit zijn de mensen die alleen of met een groepje een eigen vliegtuig hebben gekocht, blijven op een goede dag de hele middag in de lucht, en maken als de omstandigheden het toelaten lange overlandvluchten.

Bij de Noord Nederlandse Zweefvlieg Club vliegen zeven clubvliegtuigen en een aantal privévliegtuigen. Op een goede vliegdag kan het dus behoorlijk druk zijn op de startplaats (of niet natuurlijk, als iedereen lekker in de lucht blijft hangen).

Aan het einde van de dag als het donker begint te worden en iedereen de hele dag fijn heeft gevlogen, worden de vliegtuigen gewassen en weer in de hangaar gezet. De lier wordt weer naar binnen gereden en ook de startcaravan wordt weer in de hangaar gezet. Aan de bar word nog gezellig samen iets gedronken en niet zelden worden er sterke verhalen uitgewisseld over die ene lange overlandvlucht of over die mooie thermiekbel. Na een poosje gaat iedereen weer naar huis en is weer een mooie vliegdag ten einde gekomen.
 
Het einde van de vliegdag